Provided by: manpages-nl_20051127-4_all
 

NAAM

        cp - kopiëer bestanden en directories
 

OVERZICHT

        cp [OPTIES] BRON DOEL
        cp [OPTIES] BRON[NEN...] DIRECTORIE
 
        POSIX opties: [-fipRr] [--]
 
        GNU   opties   (kortste   vorm):  [-abdfilprsuvxPR]  [-S ACHTERVOEGSEL]
        [-V [numbered|existing|simple]] [--sparse=WANNEER] [--help] [--version]
        [--]
 

BESCHRIJVING

        cp  Kopieert bestanden (en optioneel directories): een bestand kan naar
        een gegeven  plaats  worden   gekopieerd,  of  een  willekeurig  aantal
        bestanden kunnen naar een doel-directorie worden gekopieerd.
 
        Als het laatste argument een bestaande directorie benoemt, dan kopieert
        cp elk BRON bestand naar die directorie (met behoud van dezelfde naam).
        Anders,  als maar twee bestanden worden gegeven, kopieert cp het eerste
        bestand naar het tweede bestand. Het is een fout als het laatste  argu‐
        ment  geen  directorie  is  en meer dan twee niet-optie argumenten zijn
        gegeven.
 
        (Dus als /b een directorie is dan zal ‘cp -r /a /b’ /a naar /b/a en a/x
        naar  /b/a/x  kopiëren;  maar  het  zal  /a  naar  /b en /a/x naar /b/x
        kopiëren als /b geen directorie is.)
 
        De toestemmingen van de gemaakte bestanden en directories  zullen  het‐
        zelfde  zijn  als  die  van  de originele bestanden, geEN’t met 0777 en
        aangepast door het umask van de gebruiker  (tenzij  de  -p  optie  werd
        gegeven).   (Maar  gedurende recursief kopiëren van directories krijgen
        nieuw gemaakte directories tijdelijk hun uiteindelijke modes geOF’t met
        S_IRWXU  (0700), zodat het proces de nieuwe directory kan lezen, schri‐
        jven en doorzoeken.)
 
        Bij het kopiëren van een  bestand  naar  zichzelf  wordt  niets  gedaan
        (behalve  eventueel  het produceren van een foutmelding).  Bij kopiëren
        naar een  ander  bestand  wordt  dat  bestand  geopend  met  ‘open(pad,
        O_WRONLY  |  O_TRUNC)’.   Bij kopiëren naar een nieuw bestand wordt dat
        bestand gemaakt met ‘open(pad, O_WRONLY |  O_CREAT,  mode)’.   Als  dit
        mislukt,  het  bestand  bestond  al,  en  de -f optie werd gegeven, dan
        probeert cp om het bestaande bestand te schrappen (unlink(2)),  en  als
        dit succesvol is gaat het door als voor een nieuw bestand.
        POSIX herkent vier en een halve opties:
 
        -f     Verwijdert bestaande doel bestanden als nodig. (Zie boven.)
 
        -i     Prompt  voor de vraag of een bestaand regulier doel-bestand moet
               worden overschreven. (Schrijf een vraag naar stderr, en lees het
               antwoord van stdin. Alleen kopiëren bij bevestigend antwoord.)
 
        -p     Behoudt  de  originele  bestand eigenaar, groep en toestemmingen
               (inclusief de setuid en setgid bits), tijd van de  laatste  aan‐
               passing  en  tijd  van  de  laatste  toegang.   In het geval dat
               kopiëren van eigenaar of groep mislukt, worden de setuid en set‐
               gid  bits  gewist.   (Merk op dat naderhand bron en kopie andere
               toegangstijden kunnen hebben  voor  laatste  toegang,  omdat  de
               kopieer operatie een toegang tot het bron bestand is.)
 
        -R     Kopieer directorie recursief, en doe het juiste wanneer objecten
               anders   dan   reguliere   bestanden   of   directories   worden
               tegengekomen.   (Dus,  de kopie van een FIFO of speciaal bestand
               is een FIFO of speciaal bestand.)
 
        -r     Kopieer  directorie  recursief,  en  doe  iets  onbepaalds   met
               objecten  anders  dan  reguliere bestanden of directories.  (Dus
               het is toegestaan -in feite aangemoedigd- om  de  -r  optie  als
               synoniem voor -R te hebben. Maar vreemd gedrag, zoals dat van de
               huidige GNU versie van cp (zie onder), is niet verboden.)
 
        --     Beëindig de opties lijst.
        Over het algemeen worden  bestanden  geschreven  net  zoals  ze  worden
        gelezen.  Voor uitzonderingen zien de --sparse optie onder.
 
        Standaard kopieert ‘cp’ geen directories (zie -r onder).
 
        cp  Weigert over het algemeen om een bestand naar zichzelf te kopiëren,
        met de uitzondering: als --force --backup werd  opgegeven  met  gelijke
        bron  en  doel  bestanden  en  waar  het  om een normaal {of: regulier}
        bestand gaat, zal cp een backup bestand maken, òf normaal òf genummerd,
        zoals  opgegeven  volgens  de gebruikelijke weg. Dit is bruikbaar als u
        eenvoudig een backup wilt maken van een bestaand bestand  vóór  het  te
        veranderen.
        -a, --archive
               {--archief}  Behoudt  zoveel  als  mogelijk  van de structuur en
               eigenschappen van  het  originele  bestand  in  de  kopie  (maar
               behoudt niet de directorie structuur).  Gelijk aan -dpR.
 
        -d, --no-dereference
               {--geen-verwijzing} Kopieer symbolische koppelingen inplaats van
               de bestanden waar ze heen wijzen, en behoudt  harde  koppelingen
               tussen bron bestanden in de kopieën.
 
        -f, --force
               {--kracht}  Verwijder bestaande doel-bestanden, en prompt nooit.
 
        -i, --interactive
               {--interactief} Prompt  om  te  vragen  of  bestaande  reguliere
               bestanden overschreven moeten worden.
 
        -l, --link
               {--koppeling}  Maak  harde  koppelingen inplaats van kopieën van
               niet-directories.
 
        -p, --preserve
               {--behoudt} Behoudt de originele eigenaar, groep, permissies  en
               tijdstempels van bestanden.
 
        -P, --parents
               {--ouders}  Vorm  de  naam  van  elk doel-bestand door achter de
               doel-directorie een slash te zetten, en dan  de  opgegeven  naam
               van  het  bronbestand te zetten, missende directories makend als
               nodig.  Het laatste argument dat aan cp wordt gegeven,  moet  de
               naam   van   een  bestaande  directorie  zijn,  bijvoorbeeld  de
               opdracht:
                   cp --parents a/b/c bestaande_dir
               kopieert het bestand ‘a/b/c’  naar  ‘bestaande_dir/a/b/c’,  mis‐
               sende directories creërend als nodig.
 
        -r     Kopieer directories recursief, kopieer niet-directories en niet-
               symbolische koppelingen (dat is, FIFO’s en  speciale  bestanden)
               alsof het gewone bestanden zijn. Dit betekend een poging de data
               in elk bronbestand te lezen, en het gelezene  naar  het  doelbe‐
               stand  te  schrijven.   Dus,  met  deze  optie kan ‘cp’ zeer wel
               hangen, door het blijven lezen in een FIFO of /dev/tty.  (Dit is
               een  bug.  Het  betekend dat u -r moet ontwijken en -R gebruiken
               als u niet weet wat in de boom is die u gaat kopiëren. Het  ope‐
               nen  van  een  onbekend apparaat bestand, zeg een scanner, heeft
               onbepaalde effecten op de hardware.)
 
        -R, --recursive
               {--recursief} Kopieer directories recursief, behoudt niet-direc‐
               tories (zie -r vlak boven).
 
        --sparse=WANNEER
               {--mager=}  Een  ‘mager  bestand’  {eng: sparse} bevat ‘gaten’ -
               series nul-bytes die  geen  fysieke  disk  blokken  innemen;  de
               ‘read’  systeem aanroep leest dit als nullen. Dit kan aanzienli‐
               jke schijfruimte schelen en de  snelheid  doen  toenemen,  omdat
               vele  binaire  bestanden  een  heleboel  opeenvolgende nul-bytes
               bevatten. Standaard bemerkt cp gaten in de invoer bron bestanden
               met  een  groffe heuristiek en maakt dan het bijbehorende uitvo‐
               erbestand ook mager.
 
               De WANNEER waarde kan één van het volgende zijn:
 
               auto   Het standaard gedrag: het uitvoerbestand is mager als het
                      invoerbestand mager is.
 
               always Maak  uitvoerbestanden  altijd  mager. Dit is handig voor
                      als het invoerbestand zich bevind op  een  bestandsysteem
                      dat  magere  bestanden  niet ondersteunt, maar het uitvo‐
                      erbestand gaat naar een bestandsysteem dat dat wel  doet.
 
               never  Maak het uitvoerbestand nooit mager. Als u een toepassing
                      voor deze optie weet, laat het ons weten...
 
        -s, --symbolic-link
               {--symbolische-koppeling} Maak symbolische koppelingen  inplaats
               van kopieën van niet-directories.  Alle bronbestand-namen moeten
               absoluut zijn (starten met ‘/’), tenzij de doelbestanden  in  de
               huidige  directorie zitten. Deze optie resulteert slechts in een
               foutmelding op systemen die symbolische koppelingen niet onders‐
               teunen.
 
        -u, --update
               {--bijwerken}  Kopieer niet als een niet-directorie een bestaand
               doel heeft met dezelfde of nieuwere aanpassingstijd.
 
        -v, --verbose
               {--praatgraag}  Druk  de  naam  van  elk  bestand  af  vóór  het
               kopiëren.
 
        -x, --one-file-system
               {--één-bestandsysteem}  Sla  subdirectories  over  die op andere
               bestandsystemen zitten dan degene waar het kopiëren op  startte.
        De  GNU versies van programma’s zoals cp, mv, ln, install en patch kun‐
        nen een backup maken van  bestanden  die  zullen  worden  overschreven,
        veranderd,  of  vernietigd als dat gewenst wordt. Het maken van backups
        wordt opgegeven door de -b optie, hoe ze genoemd moeten worden door  de
        -V  optie.   In  het geval de naam van een backup bestand wordt gemaakt
        door het toevoegen van een achtervoegsel aan een bestandnaam,  kan  dat
        achtervoegsel gegeven worden met de -S optie.
 
        -b, --backup
               {--backup}  Maak  backups  van bestanden die zullen worden over‐
               schreven of verwijderd.
 
        -S ACHTERVOEGSEL, --suffix=ACHTERVOEGSEL
               Voeg ACHTERVOEGSEL aan elk backup-bestand toe.  Als  deze  optie
               niet  wordt gegeven, wordt de waarde van de SIMPLE_BACKUP_SUFFIX
               omgevingsvariabele gebruikt. En als SIMPLE_BACKUP_SUFFIX niet is
               gezet, wordt de standaardwaarde ‘~’ genomen.
 
        -V METHODE, --version-control=METHODE
               {--versie-controle=} Bepaal hoe backup bestanden worden genoemd.
               Het METHODE argument kan ‘numbered’  (of  ‘t’),  ‘existing’  (of
               ‘nil’), of ‘never’ (of ‘simple’ zijn {respectievelijk genummerd,
               bestaand, nooit, simpel}.  Als deze optie  niet  wordt  gegeven,
               wordt   de  waarde  van  de  VERSION_CONTROL  omgevingsvariabele
               gebruikt. En als VERSION_CONTROL niet is gezet, is de  standaard
               ‘existing’.
 
               Deze  optie  komt  overeen  met de Emacs variabele ‘version-con‐
               trol’.  De geldige METHODE’s  zijn  (unieke  afkortingen  worden
               geaccepteerd):
 
               t, numbered
                      Maak altijd genummerde backups.
 
               nil, existing
                      Maak  genummerde  backups van bestanden die ze al hebben,
                      ‘simple’ backups voor anderen.
 
               never, simple
                      Maak altijd simpele backups.
        --help {--hulp} Geef een gebruik bericht op  de  standaard  uitvoer  en
               eindig succesvol.
 
        --version
               {--versie}  Druk  versie  informatie af op de standaard uitvoer,
               eindig dan succesvol.
 
        --     Beëindig opties lijst.
 

OMGEVING

        De variabelen LANG, LC_ALL, LC_COLLATE, LC_CTYPE en LC_MESSAGES  hebben
        de   gebruikelijke   betekenis.   Voor   de  GNU  versie  bepalen  SIM‐
        PLE_BACKUP_SUFFIX en  VERSION_CONTROL  de  backup  bestandnamen,  zoals
        boven beschreven.
        POSIX 1003.2
 

OPMERKINGEN

        Deze  handleiding  beschrijft cp zoals te vinden in het ‘fileutils-4.0’
        pakket; andere versies kunnen enigszins afwijken.  Mail  correcties  en
        aanvullingen  naar  aeb@cwi.nl.   Rapporteer  bugs in het programma aan
        fileutils-bugs@gnu.ai.mit.edu.
 

ZIE

        mv(1)
 
        De korte handleiding voor cp is beschikbaar via ‘man -e kort 1 cp‘.
 

VERTALING

        Dit is de handleiding van cp 4.0.  Alles wat tussen ‘{’..‘}’  staat  is
        aanvullende  vertaling,  en  hoort  niet  bij de originele handleiding.
        Email naar <manpages-nl@nl.linux.org>.
 
        $Id: cp.1,v 1.1.1.1 2004/03/21 21:02:25 cor Exp $