Provided by: manpages-nl_20051127-4_all
 

NAAM

        ls, dir, vdir - geef directorie inhoud weer
 

OVERZICHT

        ls [OPTIE]... [BESTAND]...
        dir [OPTIE]... [BESTAND]...
        vdir [OPTIE]... [BESTAND]...
 
        POSIX opties: [-CFRacdilqrtu1] [--]
 
        GNU opties (kortste vorm): [-1abcdfghiklmnopqrstuvwxABCDFGHLNQRSUX] [-w
        KOLOMMEN]  [-T   KOLOMMEN]  [-I   PATROON]  [--full-time]  [--show-con‐
        trol-chars]     [--block-size=GROOTTE]     [--format=[long|verbose|com‐
        mas|across|vertical|single-column]] [--sort=[none|time|size|extension]]
        [--time=[atime|access|use|ctime|status]] [--color[=[none|auto|always]]]
        [--help] [--version] [--]
 

BESCHRIJVING

        Het ls programma geeft bestands-status-informatie over de bestanden die
        als  argumenten  aan  het programma worden gegeven.  Directories en hun
        inhoud worden als laatste gegeven,  ook  als  de  directorie-argumenten
        eerder  op de opdrachtregel staan.  Opties en bestand-argumenten kunnen
        gemengd worden.
 
        Voor directories geeft ls standaard de inhoud van de  directorie,  maar
        niet  recursief  en bestanden beginnend met ‘.’  weglatend. Voor andere
        niet-optie argumenten geeft ls standaard  alleen  de  bestandnaam.  Als
        alleen  optie  argumenten worden gespecificeerd, geeft ls de inhoud van
        de huidige directorie.
 
        Standaard wordt de inhoud alphabetisch geordend. Als  de  uitvoer  naar
        een  terminal  gaat is de uitvoer in kolommen (verticaal gesorteerd) en
        worden controle-karakters uitgevoerd als vraagtekens; anders  wordt  de
        uitvoer  één  per  regel  gegeven,  en  controle-karakters  worden  als
        zichzelf uitgevoerd.
 
        dir (soms ook geïnstalleerd als d ) is een verkorte ls; het is  equiva‐
        lent  met  ls  -C  -b ; dat wil zeggen, bestanden worden weergegeven in
        verticaal gesorteerde kolommen, en speciale tekens  worden  gerepresen‐
        teerd door escape codes.
 
        vdir  (soms ook geïnstalleerd als v ) is een verbose ls; het is equiva‐
        lent met ls -l -b ; dat wil zeggen,  bestanden  worden  weergegeven  in
        lang  formaat  en  speciale  tekens  worden gerepresenteerd door escape
        codes.
 
        Omdat ‘ls’ zo’n fundamenteel programma, is heeft het door de jaren heen
        vele  opties  verzameld.  Deze worden onder beschreven; binnen elk deel
        worden de opties alphabetisch  gegeven  (verschil  hoofd/kleine-letters
        negerend).   Het  onderscheid  in delen is niet absoluut, omdat sommige
        opties meer dan één aspect van ‘ls’’s uitvoering beïnvloeden.
 
    Welke bestanden
        Deze opties bepalen over welke bestanden ‘ls’ informatie  geeft.  Stan‐
        daard  worden  alle  bestanden, en de inhoud van alle directories op de
        opdrachtregel getoond.
 
        -a, --all
               {--alles} Geef alle bestanden in directories, ook ingangen star‐
               tend met ‘.’
 
        -A, --almost-all
               {--bijna-alles}  Geef alle bestanden in directories, behalve ‘.’
               en ‘..’
 
        -B, --ignore-backups
               {--negeer-backups} Geef geen bestanden die eindigen op ‘~’, ten‐
               zij ze op de opdrachtregel worden gegeven.
 
        -d, --directory
               {--directorie}  Geef  alleen  de namen van directories zoals bij
               andere soorten bestanden,  in  plaats  van  het  geven  van  hun
               inhoud.
 
        -I PATROON, --ignore=PATROON
               {--negeer=}  Geef  geen  bestanden  wiens  naam het shellpatroon
               PATROON past (dit is niet een reguliere  expressie),  tenzij  ze
               gegeven  worden  op de opdrachtregel. Zoals in de shell komt een
               ‘.’  als eerste in een bestandnaam niet overeen met een wildcard
               {nl:  joker}  aan  het begin van het patroon. Soms is het nuttig
               deze optie meerdere keren te geven, bijvoorbeeld:
 
               $ ls --ignore=’.??*’ --ignore=’.[^.]’ --ignore=’#*’
 
               De eerste optie negeert namen met een lengte van  drie  of  meer
               die  starten met een ‘.’, het tweede argument negeert alle twee-
               karakter namen startend met ‘.’,  behalve  ‘..’,  en  het  derde
               argument negeert namen die starten met #.
 
        -L, --dereference
               {--verwijzing}  Geef  in een uitgebreide opgave, informatie (dat
               is, tijden en toestemmingen) over waar  symbolische  koppelingen
               naar  verwijzen,  in  plaats van over de symbolische koppelingen
               zelf.
 
        -R, --recursive
               {--herhaaldelijk} Geef de inhoud van directories recursief.
 
    Welke informatie
        Deze opties beïnvloeden de informatie die ‘ls’ geeft. Standaard  worden
        alleen bestandnamen gegeven.
 
        -D, --dired
               {--gedirt}  Geef  in de uitgebreide opgave (‘-l’) vorm een extra
               regel na de hoofd uitvoer.
 
               //DIRED// BEG1 EIND1 BEG2 EIND2 ...
 
               De BEGN en EINDN zijn  unsigned  integers  {nl:  hele  positieve
               getallen}  die  de  byte  positie van elk begin en eind van alle
               bestandnamen in de uitvoer bevatten.  Dit  maakt  het  makkelijk
               voor  Emacs  om  de  bestandnamen te vinden zonder fantasievolle
               zoekmethoden, ook als ze  vreemde  karakters  zoals  spaties  of
               nieuweregels bevatten.
 
               Als  directories  recursief  worden  gegeven (‘-R’) voer dan een
               soortgelijke regel uit na elke subdirectorie:
               //SUBDIRED// FORMAT BEG1 EIND1 ...
 
               Geef uiteindelijk een regel in de vorm:
               //DIRED-OPTIONS// --quoting-style=WOORD
               Waar WOORD de quoting  stijl  is  (zie  "Opmaken  bestandnamen",
               onder).
 
        -G, --no-group
               {--geen-groep} Voorkom afdrukken van groep informatie in de uit‐
               gebreide opgave. (Dit is standaard op sommige niet-GNU   versies
               van  ‘ls’,  dus  voor  overdraagbaarheid hebben we in deze optie
               voorzien.)
 
        -h, --human-readable
               {--menselijk-leesbaar} Voeg een grootheid-letter toe, zoals  ‘M’
               voor  megabytes,  voor  elke  grootte.  Eenheden van 1024 worden
               gebruikt, niet 1000; ‘M’ staat voor 1.048.567 bytes.  Gebruik de
               ‘-H’ of de ‘--si’ optie als eenheden van 1000 gewenst zijn.
 
        -H, --si
               Voeg  een  grootheid-letter  toe, zoals ‘M’ voor megabytes, voor
               elke grootte.  (SI is het internationale systeem voor  eenheden,
               die deze letters als voorvoegsels definieert). Eenheden van 1000
               worden gebruikt, niet 1024;  ‘M’  staat  voor  1.000.000  bytes.
               Gebruik  de  ‘-h’  of  ‘--human-readable’ optie als eenheden van
               1024 gewenst zijn.
 
        -i, --inode
               {--inode} Druk het inode-nummer af (ook wel het  bestand  serie-
               nummer genoemd, of -index nummer), van elk bestand, links van de
               bestandnaam (dit  is  een  uniek  identificatienummer  voor  elk
               bestand op een bepaald bestandsysteem).
 
        -l, --format=long, --format=verbose
               {--vorm={lang,  praatgraag}}  Druk  in aanvulling op de naam van
               elk bestand: de bestandsoort, toestemmingen, aantal  harde  kop‐
               pelingen, naam van de eigenaar, groep naam, grootte in bytes, en
               tijdstempel (standaard, de aanpassingstijd) af.  Voor  bestanden
               met  een  meer dan een half jaar oude tijd, of een tijd van meer
               dan een uur in de toekomst, bevat de tijdstempel  het  jaar,  in
               plaats van de tijd op de dag.
 
               Voor  elke  directorie  wordt  het  aantal  blokken  dat door de
               bestanden in die directorie  wordt  ingenomen  op  harde  schijf
               gegeven vóór de bestanden zelf, in een regel met de vorm ‘totaal
               BLOKKEN’.  De standaard blokgrootte  is  momenteel  1024  bytes,
               maar dat kan opzij gezet worden (zie optie --block-size, onder).
               Het berekende BLOK aantal telt elke harde koppeling apart,  maar
               er zijn argumenten te verzinnen waarom dit geen goede eigenschap
               is.
 
               De gegeven toestemmingen lijken op de symbolische mode  specifi‐
               catie,  maar ‘ls’ combineert meerdere bits in het derde karakter
               in elke set permissies als volgt:
 
               ‘s’    Als het ‘setuid’  of  ‘setgid’  bit  en  de  bijbehorende
                      uitvoerbaarheid beiden zijn gezet.
 
               ‘S’    Als het ‘setuid’ of ‘setgid’ bit is gezet, maar de bijbe‐
                      horende uitvoerbaarheid is niet gezet.
 
               ‘t’    Als het sticky  {nl:  plakkerige}  bit  en  het  "andere"
                      uitvoerbare bit beide zijn gezet.
 
               ‘T’    Als  het  sticky bit is gezet, maar het "andere" uitvoer‐
                      bare bit niet is gezet.
 
               ‘x’    Als het uitvoerbaar bit is gezet, en niets van het boven‐
                      staande opgaat.
 
               ‘-’    Anders.
 
               Volgend  op  de  toestemmings-bits  is  een  enkel  karakter dat
               aangeeft of er een alternatieve toegangsmethode opgaat voor  het
               bestand.  Wanneer  dat karakter een spatie is, is er geen alter‐
               natieve toegangsmethode. Wanneer het een afdrukbaar karakter  is
               (dat is, ‘+’), dan is er zo’n methode.
 
        -o     Produceer  uitgebreide  vorm  directorie  opgave, maar geef geen
               groep  informatie.  Dit  is  gelijk  aan   ‘--format=long’   met
               ‘--no-group’.  In deze optie werd voorzien voor gelijkvormigheid
               met andere versies van ‘ls’.
 
        -s, --size
               {--grootte} Druk de ruimte die elk bestand toegewezen is  op  de
               harde schijf links van de bestandnaam af. Dit is de schijfruimte
               verbruikt door het bestand, wat gewoonlijk een  beetje  meer  is
               dan de grootte van het bestand, maar het kan minder zijn als het
               bestand gaten heeft.
 
               Normaal wordt de schijf-toewijzing  afgedrukt  in  eenheden  van
               1024  bytes, maar dat kan opzij gezet worden (zie --block-size).
 
               Voor bestanden die met NFS zijn gemount vanaf een HP-UX systeem,
               naar  een  BSD  systeem,  rapporteert deze optie groottes die de
               helft van de correcte waardes zijn. Op  HP-UX  systemen  rappor‐
               teert  het  groottes  die  tweemaal  groter zijn dan de correcte
               waardes voor bestanden die met NFS zijn gemount vanaf BSD syste‐
               men.  Dit  komt door een fout in HP-UX; het beïnvloedt het HP-UX
               ‘ls’ programma ook.
 
    Uitvoer sorteren
        Deze opties veranderen de volgorde waarin ‘ls’ de  informatie  sorteert
        die  het uitvoert. Standaard wordt gesorteerd op karakter code (dat is,
        ASCII volgorde).
 
        -c, --time=ctime, --time=status, --time=use
               {--tijd={verander tijd, status,  gebruik}}  Als  de  uitgebreide
               opgave  wordt  gebruikt  (dat  is,  ‘-l’,  ‘-o’, druk de tijd af
               waarop de status veranderde (‘ctime’ in de inode), in plaats van
               de  modificatie  tijd.  Wanneer  de  uitgebreide vorm niet wordt
               gebruikt, of expliciet op tijd wordt  gesorteerd  (‘--sort=time’
               of ‘-t’), sorteer op status veranderingstijd.
 
        -f     Hoofdzakelijk zoals ‘-U’: niet sorteren; geef de bestanden in de
               volgorde waarin ze zijn opgeslagen in de directorie.  Maar  ook:
               zet  ‘-a’  aan (geef alle bestanden), en zet ‘-l’, ‘--color’, en
               ‘-s’ uit (als ze vóór ‘-f’ werden opgegeven).
 
        -r, --reverse
               {--omkeren} Keer de volgorde van sorteren om,  wat  de  sorteer‐
               methode ook is: geef bestanden in omgekeerde alfabetische volgo‐
               rde, jongste eerst, kleinste eerst, of wat dan ook.
 
        -S, --sort=size
               Sorteer op bestand grootte, grootste eerst.
 
        -t, --sort=time
               {--sorteer=tijd} Sorteer op modificatie-tijd, (de ‘mtime’ in  de
               inode), nieuwste eerst.
 
        -u, --time=atime, --time=access
               Als  een  uitgebreide opgavevorm (dat is, ‘--format=long’) wordt
               gebruikt, druk de laatste toegangstijd (de ‘atime’ in de  inode)
               af.  Sorteer  volgens  toegangstijd wanneer expliciet gesorteerd
               wordt op tijd (‘--sort=time’ of ‘-t’), of bij het niet gebruiken
               van een uitgebreide opgavevorm.
 
        -U, --sort=none
               {--sorteer=niet}  Sorteer niet; geef de bestanden in de volgorde
               waarin ze in de directorie staan (doe geen van de ongerelateerde
               zaken  die  ‘-f’ doet). Dit is vooral handig voor de uitvoer van
               hele grote directories, omdat niet sorteren merkbaar sneller kan
               zijn.
 
        -v, --sort=version
               {--sorteer=versie}  Sorteer  op  versie  naam en nummer, laagste
               eerst. Het gedraagt zich als een standaard sorteer, behalve  dat
               elke  rij  decimale  cijfers  numeriek  wordt behandeld zoals in
               index/versie nummer  (zie  voor  meer  details  "Versie  sorteer
               details" onder).
 
        -X, --sort=extension
               {--sorteer=extensie}  Sorteer  de  inhoud  van een directorie op
               extensie (karakters na de laatste ‘.’); bestanden zonder  exten‐
               sie worden eerst gegeven
 
    Versie sorteer details
        Het  versie-sorteren  houdt rekening met het feit dat bestandnamen vaak
        indexen en/of versienummers  bevatten.  Standaard  sorteren  produceert
        vaak  niet het soort volgorde dat mensen verwachten, omdat vergelijkin‐
        gen karakter voor karakter worden gedaan. De  versie-sorteer  lost  dat
        probleem  op,  en is vooral nuttig voor het surfen door directories die
        veel bestanden met indexen en/of versienummers bevatten.
 
            % ls -1             % ls -1v
            foo-zml-1.gz        foo-zml-1.gz
            foo-zml-100.gz      foo-zml-2.gz
            foo-zml-12.gz       foo-zml-6.gz
            foo-zml-13.gz       foo-zml-12.gz
            foo-zml-2.gz        foo-zml-13.gz
            foo-zml-25.gz       foo-zml-25.gz
            foo-zml-6.gz        foo-zml-100.gz
 
        Merk ook op dat numerieke delen met  voorlopende  nullen  als  fracties
        worden opgevat:
 
            % ls -1             % ls -1v
            abc-1.007.tgz       abc-1.007.tgz
            abc-1.012b.tgz      abc-1.01a.tgz
            abc-1.01a.tgz       abc-1.012b.tgz
 
    Algemeen uitvoer opmaken
        Deze opties beïnvloeden de verschijning van de algemene uitvoer.
 
        -1, --format=single-column
               {--vorm=enkele-kolom}  Geef  één  bestand  per  regel. Dit is de
               standaard voor ‘ls’ wanneer de  standaarduitvoer  geen  terminal
               is.
 
        -C, --format=vertical
               {--vorm=verticaal}  Geef bestanden in kolommen, verticaal gesor‐
               teerd. Dit is de standaard voor ‘ls’ wanneer de standaarduitvoer
               geen  terminal  is.  Dit is altijd de standaard voor de ‘dir’ en
               ‘d’ programma’s. GNU ‘ls’ gebruikt variabele breedte kolommen om
               zoveel  mogelijk bestanden in zo weinig mogelijk regels te laten
               zien.
 
        --color[=WANNEER]
               {--kleur[=]} Bepaal of kleur gebruikt wordt om bestandsoorten te
               onderscheiden.   WANNEER  Kan  weggelaten  worden of, één van de
               volgende zijn:
 
               never  {nooit} gebruik nooit kleur
 
               always {altijd} gebruik altijd kleur
 
               auto   {automatisch}  gebruik  alleen  kleur  als  de  standaar‐
                      duitvoer een terminal is
 
               Opgeven   van   ‘--color’   zonder   WANNEER   is   gelijk   aan
               ‘--color=always’.
 
        -F, --classify, --indicator-style=classify
               {--classificeer}  {--aanmerken-stijl=classificeren}   Voeg   een
               karakter  toe  (een  van  */=@|)  aan elk bestand dat zijn soort
               aangeeft.  Geef reguliere bestanden  die  uitvoerbaar  zijn  een
               ‘*’.   De  bestandsoort-tekens  zijn:  ‘/’ voor directories, ‘@’
               voor symbolische koppelingen, ‘|’ voor FIFO’s, ‘=’ voor sockets,
               en niets voor reguliere bestanden.
 
        --full-time
               {--hele-tijd}  Geef  volledige  datum  en  tijd in plaats van de
               standaard afkortingslogica.  De vorm is gelijk aan de  standaar‐
               duitvoer  van ‘date’; het is niet mogelijk om dit te veranderen,
               maar u kunt de datum string eruitknippen met ‘cut’ en het resul‐
               taat aan ‘date -d’ geven.
 
               Dit  is  heel  bruikbaar omdat de tijdstempel de seconden bevat.
               (Unix bestandsystemen bewaren bestand-tijdstempels alleen tot de
               dichtstbijzijnde  seconde,  dus deze optie geeft alle informatie
               die er is). Dit kan bijvoorbeeld helpen als je een Makefile hebt
               dat bestanden niet correct genereert.
 
        --indicator-style=WOORD
               {--aanmerken-stijl=}  Voeg  karakter  merktekens toe in de stijl
               van WOORD aan ingang namen, als volgt:
 
               none   Voeg geen karakter merktekens toe; dit is de standaard
 
               file-type
                      Voeg ‘/’ toe voor directories, ‘@’ voor symbolische  kop‐
                      pelingen,  ‘|’  voor  FIFO’s,  ‘=’ voor sockets, en niets
                      voor reguliere bestanden. Dit is gelijk aan  de  ‘-p’  en
                      ‘--file-type’ opties.
 
               classify
                      Voeg  een  ‘*’  karakter  toe  aan uitvoerbare bestanden,
                      gedraagt zich verder als ‘file-type’.  Dit is gelijk  aan
                      de ‘-F’ en ‘--classify’ opties.
 
        --block-size=GROOTTE
               {--blok-grootte=}  Gebruik GROOTTE-byte blokken. GROOTTE mag ook
               "human-readable", gelijk aan  de  optie  ‘--human-readable’;  of
               "si", gelijk aan de optie ‘--si’ en ‘-H’, zijn.
 
        -k, --kilobytes
               {--kilobytes} Gelijk aan --block-size=1024
 
        -m, --format=commas
               {--vorm=komma’s}  Geef bestanden horizontaal, zoveel als maar op
               een regel passen, gescheiden  door  ‘,  ’,  (een  komma  en  een
               spatie).
 
        -n, --numeric-uid-gid
               {--numerieke-uid-gid}  Geef numerieke UIDs en GIDs in plaats van
               namen
 
        -p, --file-type, --indicator-style=file-type
               {--bestand-soort}  {--aanmerken-stijl=bestand-soort}  Voeg   een
               karakter  aan  elk  bestand  toe dat zijn bestandsoort aangeeft.
               Dit is gelijk aan ‘-F’, behalve  dat  uitvoerbaren  niet  worden
               gemerkt.
 
        -x, --format=across, --format=horizontal
               {--vorm=dwarsover} {--vorm=horizontaal} Geef bestanden in kolom‐
               men, horizontaal gesorteerd.
 
        -T KOLOMMEN, --tabsize=KOLOMMEN
               {--tabgrootte=} Neem elke tabulatiestop KOLOMMEN kolommen breed.
               De  standaard is 8.  ‘ls’ Gebruikt tabulaties in de uitvoer waar
               mogelijk voor efficiëntie. Als KOLOMMEN  nul  is  gebruikt  ‘ls’
               geen tabulaties maar spaties.
 
        -w, --width=KOLOMMEN
               {--breedte=}  Neem  de schermbreedte KOLOMMEN kolommen. De stan‐
               daard wordt van de terminal instellingen betrokken als mogelijk;
               anders wordt de omgevingsvariabele ‘COLUMNS’ gebruikt als die is
               gezet; anders is de standaard 80.
 
    Opmaken bestandnamen
        Deze opties veranderen hoe bestandnamen zelf afgedrukt worden.
 
        -b, --escape, --quoting-style=escape
               {--escape} {--citeerstijl=escape} Citeer  niet-grafische  karak‐
               ters in bestandnamen met alphabetische en octale backslash codes
               af, zoals in C {programmeertaal C}.
 
        -N, --literal
               {--letterlijk} Druk rauwe ingang namen (behandel  o.a.  controle
               karakters niet speciaal) af, citeer niet.
 
        -q, --hide-control-chars
               {--verstop-controle-karakters} Druk vraagtekens af in plaats van
               niet-grafische karakters in bestandnamen.  Dit is  de  standaard
               als de uitvoer een terminal is en het programma ‘ls’ is.
 
        -Q, --quote-name, --quoting-style=c
               {--citeer-namen}   {--citeerstijl=c}   Vervat   bestandnamen  in
               dubbele aanhalingstekens,  en  citeer  niet-grafische  karakters
               zoals in C.
 
        --quoting-style=WOORD
               {--citeerstijl=}  gebruik  citeerstijl WOORD om uitvoer namen te
               citeren. Het WOORD moet één van de volgende zijn:
 
               literal
                      {letterlijk} Geef namen zoals ze zijn.
 
               shell  {shell}  Citeer  namen  voor  de  shell  als   ze   shell
                      metakarakters  bevatten,  of dubbelzinnige uitvoer zouden
                      produceren.
 
               shell-always
                      {shell-altijd} Citeer namen voor de  shell,  ook  als  ze
                      normaal geen aanhalingstekens nodig hebben.
 
               c      {c} Citeer namen zoals voor ‘C’ strings; dit is hetzelfde
                      als de ‘-Q’ en ‘--quote-names’ opties.
 
               escape {escape} Citeer zoals voor ‘C’, maar laat  de  omvattende
                      dubbele-aanhalingstekens  weg;  dit is gelijk aan de ‘-b’
                      en ‘--escape’ opties.
 
               locale {locaal}  Citeer  zoals  voor  ‘C’,   maar   gebruik   de
                      citeertekens  van  de huidige localiteit. De citeertekens
                      voor de standaard localiteit zijn ‘‘’ en ‘’’.
 
        --show-control-chars
               {--toon-controle-karakters} laat niet-grafische karakters  zoals
               ze  zijn.  Dit is de standaard tenzij het programma ‘ls’ heet en
               uitvoer naar een terminal gaat.
 
    Overige opties
        --help {--help} Geef een lijst van alle beschikbare  opties  en  eindig
               succesvol.
 
        --version
               {--versie} Geef versie informatie en eindig succesvol.
 
        --     Na deze optie zijn alle argumenten bestandnamen, ook (juist) als
               ze met een streepje beginnen.
 
        -g     Genegeerd, voor compatibiliteit met Unix.
 

OMGEVING

        POSIXLY_CORRECT
               Deze variabele bepaald de gebruikte eenheden.
 
        LS_BLOCK_SIZE, BLOCK_SIZE
               Gebruikte standaard blokgrootte.   ‘LS_BLOCK_SIZE’  Heeft  voor‐
               rang.   Als  POSIXLY_CORRECT gezet is en nóg de ‘LS_BLOCK_SIZE’,
               nóg de ‘BLOCK_SIZE’ variabelen zijn gezet, dan  wordt  de  stan‐
               daard  blokgrootte 512. Als geen van bovenstaande omgevingsvari‐
               abelen zijn gezet wordt de standaard waarde 1024 bytes.
 
        TABSIZE
               Als POSIXLY_CORRECT niet is gezet, bepaald  TABSIZE  het  aantal
               karakters per tabulatie.
 
        COLUMNS
               De  variabele  COLUMNS  (wanneer  het  een geheel decimaal getal
               bevat) bepaald de breedte van de uitvoer-kolommen (voor  gebruik
               met de -C optie). Bestandnamen moeten niet afgehakt worden om ze
               in een meerdere kolommen vorm te laten passen.
 
        LS_COLORS
               Bepaald de kleuren die ‘ls’ gebruikt, zie dircolors(1).
 
        LANG, LC_ALL, LC_COLLATE, LC_CTYPE, LC_MESSAGES, LC_TIME
               hebben de gebruikelijke betekenis
 
        TZ     De variabele TZ geeft de tijdzone voor tijd-strings van ls.
 
        QUOTING_STYLE
               Deze variabele wordt gebruikt  om  de  standaardwaarde  voor  de
               --quoting-style optie te geven. Dit ‘valt’ momenteel ‘door’ naar
               "none", maar de  auteurs  hebben  gewaarschuwd  dat  dit  in  de
               toekomst in "shell" kan veranderen.
 

AUTEURS

        Geschreven door Richard Stallman en David MacKenzie.
        Rapporteer bugs bij <bug-fileutils@gnu.org>.
 

COPYRIGHT

        Copyright © 1999 Free Software Foundation, Inc.
        Dit  is vrije software; zie de broncode voor kopieer voorwaarden. Er is
        GEEN aansprakelijkheid; zelfs niet voor VERKOOPBAARHEID of GESCHIKTHEID
        VOOR EEN BEPAALD DOEL.
        dircolors(1).
 
        De korte handleiding voor ls is beschikbaar via ‘man -e kort 1 ls‘.
        POSIX 1003.2. De volgende opties zijn POSIX opties:
        ‘-C’, ‘-F’, ‘-R’, ‘-a’, ‘-c’, ‘-d’, ‘-i’, ‘-l’, ‘-q’, ‘-r’, ‘-t’, ‘-u’,
        ‘-1’, ‘--’.
        De overige opties zijn GNU-extensies.
 

VERTALING

        Dit is een handleiding van ls als gedistribueerd  met  fileutils  4.01,
        inclusief  informatie  uit  de  originele  manpage en info-handleiding.
        Alles wat tussen ‘{’..‘}’ staat is aanvullende vertaling, en hoort niet
        bij de originele handleiding.  Email naar <manpages-nl@nl.linux.org>.
 
        $Id: ls.1,v 1.1.1.1 2004/03/21 21:02:25 cor Exp $